Pagina's

woordvolgorde OB en BB

ONDERBOUW  gulden regel:

 (tijd/plaats)  onderwerp + alle werkwoorden + rest   (tijd/plaats)

en verder: eerst tijd, dan plaats 

 

exercices 

A. Mets dans le bon ordre

1. tu / la télé / regardé / as / ?

2. mon meiller ami / a / à une chasse aux talents / participé

3. a / une vidéo / ma soeur / fait / du spectacle

4. devant un public / pas / moi, je / aime / n'/ chanter

5. vais / membre / pas / être / d'un club de foot / je / ne 

 

B. Traduis

1. Tom gaat zijn huiswerk maken.

2. Lola en haar vriendinnen hebben een film gekeken.

3. Ga jij morgen niet voetballen?

4. We gaan op de fiets naar school.  

 

ANTWOORDEN 

A. Mets dans le bon ordre

1. Tu as regardé la télé?

2. Mon meilleur ami  a  participé à une chasse aux talents. (Let op: à = aan / in / ...    a = heeft)

3. Ma soeur a fait une vidéo du spectacle.

4. Moi, je n'aime pas chanter devant un public. 

5. Je ne vais pas être membre d'un club de foot.  

 

B. Traduis

1. Tom gaat maken zijn huiswerk. > Tom va faire ses devoirs.

2. Lola en haar vriendinnen hebben gekeken een film. >  Lola et ses amies ont regardé un film.

3. Jij gaat voetballen (niet) morgen? > Tu ne vas pas faire du foot demain?

4. We gaan naar school op de fiets.  > On va à l'école en vélo / à vélo. 

 

 

BOVENBOUW    gulden regel:

 (tijd/plaats)  onderwerp + alle werkwoorden + lijdend vw + meew vw   (tijd/plaats)

en verder: 

- eerst tijd, dan plaats
- veel voorkomende bijwoorden (déjà, toujours, souvent, bien, longtemps) na het eerste werkwoord 
- Een samengestelde zin bestaat uit 2 zinnen (hoofd - en bijzin) verbonden door een voegwoord. Pas in beide zinnen deze regels toe. 
 
EXERCICES 
A. Zet de woorden in de goede volgorde:
1. Marie / cadeau / donner / demain / nous / restaurant / à / le / allons / dans / un
2. parti / heures / dix / il / est / à
3. vacances / Eiffel / tour / visité / pendant / Paris / la / à / les / j'ai
4. beaucoup / travaille / il
5. travaillé / beaucoup / il / a
6. boit / trop / il
7. toujours / sont / polis / ils
8. bien / président / parle / le
9. parlé / président / bien / le / a
10.États-Unis / habité / longtemps / aux / j'ai
11. déjà / poubelles / sorti / les / as-tu ?
 
B. samengestelde zin Vertaal:
1. Brigitte is verdrietig, omdat haar vriend haar verlaten heeft. 
2.  Mijn auto is stuk gegaan, dus (donc) ben ik liftend (= en auto-stop) terug gekomen.
3. Hij is verslaafd (= accro) aan videospelletjes en toch (= pourtant) heeft hij tijd om zijn huiswerk te maken. 
4. Ik was zo (= tellement) bang, dat (=que) ik niet meteen naar buiten ben gegaan.  

 
 
 
 
 
A. Zet in de goede volgorde: 
1. Demain nous / allons donner / un cadeau / à Marie dans le restaurant.
2. ( À dix heures) il est parti (à dix heures).
3. (Pendant les vacances) j'ai visité  / la tour Eiffel (à Paris). 
4. Il travaille beaucoup. = Hij werkt veel.
5. Il a beaucoup travaillé. = Hij heeft veel gewekt. 
6. Il boit trop.  = Hij drinkt teveel.
7. Ils sont toujours polis.  = Ze zijn altijd beleefd. 
8. Le président parle bien. = De president spreekt goed.
9. Le président a bien parlé. = De president heeft goed gesproken.
10. J'ai longtemps habité aux Etats-Unis. = Ik heb lang in de VS gewoond.
11. As-tu déjà sorti les poubelles?= Heb je de vuilnisbakken al buiten gezet?
 
 
B.
1. Brigitte est triste parce que son ami l'a quittée.
2. Ma voiture est tombée en panne, donc je suis rentré en auto-stop.
4. Il est accro aux jeux vidéo, pourtant il a le temps de faire ses devoirs. 
5. J'ai eu tellement peur que je ne suis pas sorti immédiatement.
 
 

 



Persoonlijk voornaamwoord
 
lijdend voorwerp : (me, te) le, la, les (nous, vous)
meewerkend voorwerp: (me, te) lui, leur (nous, vous)

plaats:
1. voor de infinitif. Als die er niet is:
2. voor de persoonsvorm
 
voorbeeld
Je lui ai donné un cadeau.  = Ik heb hem / haar een cadeau gegeven.
Je vais lui donner un cadeau.  = Ik ga hem / haar een cadeau geven.
Ta bicyclette? Je ne la vois pas. = Je fiets? Ik zie hem niet.

Zie ook de aantekeningen over het persoonlijk v.n.w. op Mousse4



aussi 
 
1. ook 
2. Aan het begin van de zin betekent het "dan ook". In dat geval krijg je inversie.
vb. Il avait raison. Aussi avons-nous suivi son exemple.
= Hij had gelijk. Wij hebben zijn voorbeeld dan ook gevolgd.





citaat
Patrick demande: "Où vas-tu?"
"Je vais au cinéma", dit Esther.  (inversie, net als in het Nederlands; zelfs met een zelfst nw; geen streepje)






klemtoonconstructie
* als je het onderwerp wilt benadrukken, zet je het tussen C'est...qui 
C'est moi qui ai vu Jean à la gare. = Ik heb Jean op het station gezien.
Het werkwoord past zich aan aan het woord dat tussen c'est en qui staat.
(pers.v.n.w. met nadruk: moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles)

* als je een ander zinsdeel wilt benadrukken, zet je het tussen C'est...que 
C'est Jean que j'ai vu à la gare. = Ik heb Jean op het station gezien. 
C'est à la gare que j'ai vu Jean. = Ik heb Jean op het station gezien.  







vraagzinnen: zie Mousse2
aanvulling:
Où est le livre? = Waar is het boek?
Quand viendra Luc? = Wanneer komt Luc?
Comment va Annette? = Hoe maakt Annette het?
Combien a Nicole? = Hoeveel heeft Nicole?
Pourquoi est-ce que Marianne pleure? = Waarom huilt Marianne?

Wanneer de zin begint met een vraagwoord krijg je wel inversie met een zelfstandig naamwoord, behalve bij pourquoi.





oefening A. Zet de woorden in de goede volgorde.
1. de notre groupe / allons / demain / nous /  faire / une photo
2. aime / dit: / n'/ les sondages / pas / je / Nicole
3. tu / est-ce que / as / de ce que / te rends compte / tu / fait?
4. est-ce que / ce matin / as / fait / qu'/ tu
5. moi / pas / à ta copine / n'/ voulu / est / ai / qui / c' /parler
6. Nardy / veux / à la piscine / dit / je / aller
7. sa / vécu / femme / Canada / il / a / au/ t / longtemps / avec / ? 
8. vais / demain / école / je / à / en / l'/ vélo
9. au / beau / j'/ hier / soeur / film / avec / ai / cinéma / vu / un / ma
10. allés / ensemble / à / nous / moins / onze /à / maison / heures / quart / la / le / sommes

oefening B. Maak een vraagzin
1. Elle est douée pour les maths.
2. Il aurait pu venir plus tôt.
3. Ils aiment voyager ensemble.
4. Il a chanté dans un groupe rock.

 
oefening A. Zet de woorden in de goede volgorde.
1.(demain) Nous allons  faire une photo de notre groupe (demain)
2. Nicole dit: je n'aime pas les sondages.
3. Est-ce que tu te rends compte de ce que tu as fait? 
4. Qu' est-ce que / tu as fait ce matin?
5. C' est moi qui n' ai pas voulu parler à ta copine.
6. Je veux aller à la piscine, dit Nardy.
7. A-t-il longtemps vécu au Canada avec sa femme?
8. (Demain) je vais à l' école en vélo. (demain).
9. (Hier) j'ai vu un film avec ma soeur au cinéma (hier).
10. (à onze heures moins le quart) (ensemble) nous sommes allés (ensemble) à la maison (à onze heures moins le quart).

oefening B. Maak een vraagzin
1. Elle est douée pour les maths? Est-ce qu' elle est...? Est-elle...?
2. Il aurait pu venir plus tôt? Est-ce qu' il aurait pu...? Aurait-il pu...?
3. Ils aiment voyager ensemble? Est-ce qu' ils aiment...? Aiment-ils...?
4. Il a chanté dans un groupe rock? Est-ce qu' il a chanté...? A-t-il chanté..?